falsiteit
/ˈfɑl.sə.ˈiːtɪt/Definitions
1. noun
The quality or state of being false or untrue.
“De spreker woonde in een dorp met een geschiedenis van een grote vorm van falsiteit die nooit werd onthuld.”
2. noun
The quality or state of being lacking in genuineness or authenticity.
“Hij was verbaasd door de verhouding tussen de echte en de gefingeerde versie van de geschiedenis, waarbij de falsiteit van de laatste een interessante discussie opleverde.”